Meerwaardebelasting aandelen – de “Solidariteitsbijdrage” op financiële meerwaarden in België
De federale regering De Wever I heeft aangekondigd dat er in België een nieuwe belasting zal worden ingevoerd op gerealiseerde meerwaarden op financiële activa. Deze belasting heet officieel de “solidariteitsbijdrage” en zou in de meeste gevallen neerkomen op een tarief van 10%. Hoewel het regeerakkoord veel details prijsgeeft, blijven sommige vragen voorlopig onbeantwoord. In dit artikel krijgt u een zo volledig mogelijk overzicht van deze belastinghervorming. We gaan in op de timing, de precieze invulling, de uitzonderingen en de praktische consequenties. Ook bespreken we de mogelijke impact op kleine beleggers, ondernemers met een grotere participatie en de algemene financiële planning.
Met deze bijdrage, die de traditionele naam “meerwaardebelasting” grotendeels vervangt, beoogt de Belgische regering een betere balans tussen inkomen uit arbeid en inkomen uit kapitaal. Toch betekent de invoering van deze solidariteitsbijdrage ook een verdere complicatie van de al vrij complexe Belgische fiscaliteit. Wat zijn nu de kernpunten, en welke vragen blijven nog onbeantwoord? U leest het hieronder.
1. Timing van de hervorming
Het regeerakkoord vermeldt dat de nieuwe fiscale hervormingen vermoedelijk midden 2025 in wetgeving zullen worden gegoten. Hoewel nog geen exacte datum is vastgelegd, geeft de regering aan dat “de maatregelen allemaal in 2026 zullen worden ingevoerd”. Wie nu al belegt, krijgt dus te maken met een overgangsperiode. In die periode zullen beleggers waarschijnlijk nog geen aangifte hoeven te doen van meerwaarden onder deze nieuwe regeling, maar het is wel zaak alert te blijven: de datum van inwerkingtreding en mogelijke overgangsbepalingen zullen voor velen van groot belang zijn om te bepalen welke transacties eventueel nog vóór de nieuwe regels worden afgerond.
De timing is vanuit juridisch oogpunt cruciaal. Zo zullen latente meerwaarden die vóór de inwerkingtreding van de solidariteitsbijdrage zijn opgebouwd, niet onder de nieuwe belasting vallen. Hoe de overheid gaat vaststellen wat exact de waarde van een effect is op het “peilmoment” (de dag van inwerkingtreding) blijft echter een vraag. Bij beursgenoteerde producten zal men waarschijnlijk de slotkoers van die dag gebruiken, maar voor niet-beursgenoteerde effecten wordt dat een grotere uitdaging.

2. Wat houdt de solidariteitsbijdrage in?
2.1 Algemeen tarief van 10%
Het akkoord spreekt van een algemene solidariteitsbijdrage van 10% op toekomstige gerealiseerde meerwaarden op financiële activa, inclusief cryptobeleggingen. Dit wil zeggen dat meerwaarden op bijvoorbeeld aandelen, obligaties, fondsen, trackers, opties én crypto-activa belastbaar zouden worden. Andere activa, zoals goud, kunst of onroerend goed, vallen niet onder de scope van deze nieuwe heffing. Voor onroerend goed bestond er overigens al een meerwaardebelasting bij snelle verkoop (binnen vijf jaar na aankoop voor bewoonbare panden).
Het cruciale woord “toekomstig” is van belang: enkel meerwaarden die na de inwerkingtreding van de wet worden opgebouwd, zullen belast worden. Dit moet voorkomen dat mensen halsoverkop hun huidige posities liquideren voordat de nieuwe belasting officieel wordt ingevoerd. Historische meerwaarden – dus de waardestijging vóór inwerkingtreding – blijven vrijgesteld.
2.2 Meerwaardebasis en verliesverrekening
De meerwaarde die belast wordt, is het verschil tussen de verkoopprijs en de waarde op het moment van invoering (of de aankoopprijs na invoering, wanneer men pas later koopt). De bedoeling is om bij de verkoop de werkelijke nettowinst in aanmerking te nemen. Aankoop- en verkoopkosten zullen naar verwachting mogen worden afgetrokken, al is dit in detail nog niet wettelijk vastgelegd.
Daarbij voorziet de regering dat ook verliezen (minderwaarden) aftrekbaar zijn, maar enkel in het jaar waarin ze zich voordoen. Met andere woorden: wie in hetzelfde kalenderjaar winst én verlies boekt, kan deze met elkaar verrekenen. Een overschot aan verliezen kan echter niet worden overgedragen naar volgende jaren. Op die manier komt de regering wat tegemoet aan de vaak grillige realiteit van beleggingen, maar blijft ze een onbeperkte verrekening van verliezen voorkomen.
3. Uitzonderingen en vrijstellingen
3.1 Vrijstelling van 10.000 euro voor “kleine” beleggers
Om te verhinderen dat mensen met beperkte investeringen te zwaar belast worden, is in het regeerakkoord een vrijstelling opgenomen van 10.000 euro per jaar. Dit betekent dat de eerste 10.000 euro aan gerealiseerde meerwaarde (per persoon, per kalenderjaar) niet onder de 10% wordt belast. Hoewel eerdere documenten spraken over 6.000 euro, heeft de regering dit bedrag in het definitieve akkoord opgetrokken naar 10.000 euro.
Voor wie af en toe een winstgevende transactie doet, is dit een belangrijke drempel. Denk aan een belegger die één keer per jaar een deel van zijn portefeuille verkoopt en daarbij 8.000 euro winst boekt: in dat geval zal hij of zij geen solidariteitsbijdrage betalen. Overschrijdt men de 10.000 euro, dan is het pas vanaf het meerdere dat de 10% in principe wordt toegepast.
Veel beleggers overwegen nu al of ze jaarlijks bepaalde winsten “vastklikken” door verkoop, specifiek om onder die vrijstellingsdrempel te blijven. Het is echter niet duidelijk of banken of beleggingsplatformen deze vrijstelling automatisch toepassen, dan wel of de belegger hier zelf mee aan de slag zal moeten in de belastingaangifte.
3.2 De “aanmerkelijk belang”-regeling
Een ander belangrijk aspect is de getrapte belastingtarieven voor aandeelhouders met een aanzienlijk belang in een onderneming (veelal gedefinieerd als minstens 20% van de aandelen). Tot een meerwaarde van 1 miljoen euro zou hier een volledige vrijstelling gelden. Tussen 1 miljoen en 2,5 miljoen euro is een heffing voorzien van 1,25%, tussen 2,5 miljoen en 5 miljoen euro 2,25%, en tussen 5 miljoen en 10 miljoen euro 5%. Pas vanaf 10 miljoen euro wordt de volle 10% solidariteitsbijdrage geheven.
Dit wijkt duidelijk af van eerdere plannen (waar eerst sprake was van een belang van 5%, of een volledige vrijstelling tot 5 miljoen euro). De optelsom is dat iemand met een zeer grote participatie eerst geniet van relatief lage tarieven op de eerste schijven, om pas bij een meerwaarde boven de 10 miljoen euro het tarief van 10% te betalen.
Het blijft echter onduidelijk of en hoe beleggers met minder dan 20% ook een vrijstelling kunnen krijgen. Zo kan een start-up-oprichter, die initieel 100% bezit maar door investeringsrondes onder de 20% zakt, zich benadeeld voelen als enkel participaties boven 20% profiteren van een gunstige regime. De vraag is of de wetgever rekening gaat houden met zulke scenario’s, zeker gezien de wens om ondernemerschap en innovatie te stimuleren.
4. Verhouding tot bestaande belastingen
België kent al diverse vormen van meerwaardebelasting in specifieke gevallen. Zo bestaat er een tarief van 33% als een meerwaarde wordt aangemerkt als “speculatief” of buiten het kader van “normaal beheer van een privévermogen” valt. Daarnaast bestaat er een belasting van 16,5% wanneer een natuurlijk persoon aandelen (van minstens 25% in een Belgische vennootschap) verkoopt aan een rechtspersoon die buiten de EER gevestigd is. Ook is er zoiets als de zogenaamde “Reynderstaks” – een roerende voorheffing die in bepaalde gevallen van toepassing is bij (gedeeltelijke) terugbetalingen vanuit beleggingsfondsen.
De vraag is hoe de nieuwe solidariteitsbijdrage hiermee combineert. Zal de nieuwe belasting de bestaande regelingen vervangen of komt hij erbovenop? Het regeerakkoord is hier niet expliciet over, wat tot onzekerheid leidt. In het verleden leidde elke nieuwe vorm van roerende voorheffing of meerwaardebelasting vaak tot discussies over samenloop. Ook bestaat er onzekerheid rond inbrengverrichtingen: als iemand zijn aandelen inbrengt in een holding (waarmee in theorie een “meerwaarde” wordt gerealiseerd), is dat vaak vrijgesteld onder de Europese fusierichtlijn of wordt de belastingheffing uitgesteld. Zal de nieuwe solidariteitsbijdrage in zulke gevallen ook worden uitgesteld, of zelfs geheel niet verschuldigd zijn?
5. Historische meerwaarden: de “peildatum”
Een van de meest ingrijpende, maar tegelijk geruststellende, bepalingen in het akkoord is dat enkel de winst die ná de inwerkingtreding wordt opgebouwd, onder het nieuwe regime valt. Dit betekent dat men de dag van inwerkingtreding als een “peilmoment” hanteert. In de praktijk komt dit neer op een waardebepaling van bestaande beleggingen rond het moment dat de nieuwe wet in werking treedt. De latente winst die tot dan toe is gegroeid, wordt niet belast.
Neem het voorbeeld van iemand die tien jaar geleden een aandeel kocht voor 100 euro, en dat aandeel staat op de dag van inwerkingtreding op 500 euro. De latente winst van 400 euro zou dan buiten de nieuwe belasting vallen, zolang de officiële peildatum op 500 euro wordt vastgelegd. Pas de meerwaarde bóven die 500 euro, na inwerkingtreding, zou eventueel aan de 10% onderhevig zijn (of aan het getrapte tarief bij een aanmerkelijk belang).
De uitdaging is echter hoe die “officiële waarde” wordt bepaald bij niet-beursgenoteerde effecten. Waarschijnlijk zal men kunnen werken met een deskundige waardebepaling of met de waarde die blijkt uit recente kapitaalverhogingen. Het risico op discussie met de Belastingadministratie blijft evenwel reëel.

6. Wie betaalt de solidariteitsbijdrage?
De heffing zal worden ingevoerd in de personenbelasting, wat betekent dat natuurlijke personen – Belgische belastingplichtigen – ermee te maken krijgen. Vennootschappen blijven buiten schot, omdat ze in de vennootschapsbelasting normaliter toch al worden belast op hun (meeste) meerwaarden.
Een belangrijk aandachtspunt is de praktische kant: hoe gaan beleggers hun aankopen en verkopen registreren en hoe gebeurt de verrekening van belastbare meerwaarden met eventuele vrijstellingen? De kans is groot dat dit via de jaarlijkse belastingaangifte zal lopen, iets wat de complexiteit aanzienlijk zal verhogen. Immers, elke aankoop- en verkoopdatum, het bedrag, de kosten en de vastgestelde waarde op het peilmoment moeten dan worden bijgehouden. Voor veel particuliere beleggers betekent dat een (quasi) boekhoudverplichting.
Of financiële instellingen in België (banken, brokerplatformen) deze administratie deels zullen overnemen of vereenvoudigen, is nog niet bekend. In elk geval is het raadzaam om uw transacties nauwgezet te documenteren.
7. Impact op beleggers en ondernemers
7.1 Kleine beleggers
Voor de modale belegger is de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro een flinke geruststelling. Zolang uw netto meerwaarde onder dit bedrag blijft, zal u geen solidariteitsbijdrage betalen. Beleggers die af en toe een winstgevende transactie maken, zullen daardoor mogelijk geen last hebben van deze nieuwe maatregel. Toch kan het zijn dat op termijn, als koersen blijven stijgen en beleggers groeiende portefeuilles opbouwen, ook zij vaker in aanraking komen met de belasting.
7.2 Rijke particulieren en ondernemers
De regering wil met de getrapte tarieven voor participaties van 20% en meer recht doen aan het feit dat deze groep vaak grote investeringen heeft lopen. Zo kunnen familiebedrijven, start-up-oprichters en grootaandeelhouders gebruikmaken van lagere tarieven op de eerste schijven, in tegenstelling tot iemand die bijvoorbeeld 15% bezit en daardoor meteen 10% zou moeten betalen over alle gerealiseerde meerwaarden boven de algemene vrijstellingsdrempel.
Echter, deze 20%-grens is controversieel. Veel oprichters van kmo’s of scale-ups komen na een paar kapitaalrondes onder die grens uit. De regering laat momenteel de deur open voor wijzigingen of uitbreidingen van deze regeling, maar concrete details ontbreken. Het is niet uit te sluiten dat bij de wettelijke uitwerking van het akkoord meer nuances worden aangebracht, bijvoorbeeld in de vorm van pro rata gunstregelingen.
8. Mogelijke knelpunten en vragen
-
Samenloop met bestaande heffingen
Wordt de nieuwe belasting verrekend met eventuele andere meerwaardebelastingen, of komt zij bovenop de reeds bestaande regelingen (zoals de 33% bij speculatieve transacties of de 16,5% bij verkoop aan een niet-EER-vennootschap)? Het regeerakkoord is hier niet helder over. -
Transacties binnen groepsstructuren
Hoe wordt omgegaan met kapitaalbewegingen binnen familieholdings of managementvennootschappen? Bestaat er een vorm van tijdelijk uitstel of vrijstelling, conform de Europese fusierichtlijn, of zal men direct moeten afrekenen? -
Historische kostprijs versus peildatum
Met name voor niet-beursgenoteerde effecten is het bepalen van de waarde op peildatum een heikel punt. De regering sprak in het regeerakkoord over “historische meerwaarden” die onbelast blijven, maar de precieze waarderingsmethodiek blijft onduidelijk. -
Administratieve lasten
Zal de overheid banken verplichten om te rapporteren? Komt er een centraal rapportagesysteem? Of blijft de bewijslast volledig bij de belastingplichtige? De praktijk leert dat een degelijke registratie en rapportage door financiële instellingen problemen kan voorkomen, maar de vraag is of er hiervoor wettelijk een kader komt. -
Vervanging of aanvulling van de Reynderstaks
Er heerst onduidelijkheid of de 30%-heffing op bepaalde beleggingsfondsen (Reynderstaks) blijft bestaan. De regering maakt daarover geen specifieke opmerkingen, waardoor beleggers tijdelijk in het ongewisse blijven.
9. Belang van fiscale stabiliteit en eenvoud
Een terugkerende kritiek op het Belgische fiscale systeem is dat het voortdurend complexer wordt, doordat nieuwe regels niet altijd oude regels vervangen, maar ernaast komen te staan. Zo lijkt het ook bij deze hervorming te gaan. Hoewel de overheid met de solidariteitsbijdrage beoogt meer fairness te creëren tussen inkomsten uit arbeid en kapitaal, is de kans groot dat de nieuwe heffing leidt tot extra administratieve rompslomp voor zowel de fiscus als de belastingplichtige.
Veel experts, onder wie fiscalisten en economen, pleiten daarom voor een meer “geharmoniseerd” kader, waarbij roerende inkomsten in één enkele enveloppe vallen, die onder dezelfde voorwaarden en tarieven worden belast. Een dergelijke transparantie kan het vertrouwen onder beleggers vergroten en stimulansen voor langetermijninvesteringen in stand houden. De vraag is echter of de wetgever deze kans aangrijpt, of dat we opnieuw terechtkomen in een kluwen van aparte regeltjes.
10. Sparen en beleggen in de toekomst
Ondanks de komst van een meerwaardebelasting van 10%, blijft het voor veel mensen verstandig om te blijven beleggen. Op de lange termijn renderen investeringen in aandelen doorgaans beter dan spaargeld op een gewone bankrekening, zeker in tijden van hogere inflatie. Die inflatie zal ook de vrijstellingsdrempel van 10.000 euro jaarlijks opdrijven, waardoor de kleine belegger voor een stuk beschermd blijft.
Tegelijk zou het kunnen dat de regering in de toekomst, bij budgettaire tekorten, verleid wordt om de tarieven te verhogen of de drempels te verlagen. Zo zagen we ook de roerende voorheffing sinds 2012 stelselmatig toenemen van 15% naar 30%. Zolang er echter geen aanpassingen worden doorgevoerd, is 10% in Europa relatief aan de lage kant.
Voor beleggers in cryptomunten houdt de nieuwe belasting in dat ook gerealiseerde winsten op dit type activa onder het tarief van 10% vallen. Dit betekent een einde aan de voorgaande fiscale onzekerheid rond crypto, al was de fiscus daar soms al zeer streng in. Nu is het eindelijk helder dat crypto expliciet onder de definitie van “financiële activa” valt, wat op zich bijdraagt aan duidelijkheid, maar opnieuw met administratieve verplichtingen gepaard gaat.

11. De meerwaardebelasting op aandelen samengevat
De solidariteitsbijdrage markeert een ingrijpende stap in de Belgische fiscale wetgeving. Waar het land lang bekendstond als (relatief) “paradijs” voor kapitaalinkomsten – zeker in vergelijking met de belastingdruk op arbeidsinkomsten – komt daar nu verandering in. De generieke 10%-heffing op financiële meerwaarden, inclusief crypto, wordt verzacht door een aantal vrijstellingen en getrapte tarieven: er is de vrijstelling van 10.000 euro per jaar voor kleine beleggers en de veel gunstigere schijven voor aanmerkelijke belangen vanaf 20%. Tegelijk roept deze hervorming tal van vragen op:
- Hoe bepaalt men concreet de “peildatum”-waarde voor niet-genoteerde effecten?
- Blijven andere, reeds bestaande meerwaardebelastingen gelden?
- Komt er een degelijk rapportage- en controlesysteem?
- Wordt er bij minder dan 20% participatie ook een bepaalde gunstregeling voorzien, bijvoorbeeld in het geval van start-upoprichters die na meerdere kapitaalrondes verdund raken?
Hoewel de regering mikt op invoering in 2026, is het wachten op de definitieve wetgeving om echt uitsluitsel te krijgen. Ondertussen doet u er als belegger goed aan om uw transacties minutieus te documenteren. Probeer uw aankoop- en verkoopbewijzen zorgvuldig bij te houden en denk na over de timing van uw transacties. De nieuwe regels zullen immers niet alleen het bedrag dat u op de verkoopdag ontvangt bepalen, maar ook uw administratieve verplichtingen richting de Belastingadministratie.
Verder zal de komende jaren blijken of deze belasting zich staande houdt in een sterk evoluerende financiële wereld. De Belgische regering heeft de ambitie uitgesproken om ondernemerschap en innovatie te stimuleren. Tegelijkertijd wil ze de belastingdruk eerlijker spreiden over arbeid en kapitaal. Of deze nieuwe bijdrage daarin slaagt, zal grotendeels afhangen van de manier waarop men omgaat met de talloze details, uitzonderingen en specifieke situaties die zich in de praktijk voordoen.
Voorlopig is het advies om de vinger aan de pols te houden en zich goed te informeren over de exacte wetteksten zodra deze verschijnen. De belangrijkste boodschap is dat “historische” meerwaarden die u tot dusver heeft opgebouwd, in principe onaangetast blijven. Latere koersstijgingen bovenop deze waarde zullen echter wel binnen de belasting vallen. Op die manier is een volledige “vlucht voor de belasting” wellicht minder zinvol dan het op het eerste gezicht lijkt.
Al met al belooft de solidariteitsbijdrage een complex verhaal te worden, net zoals vele andere fiscale regels in België. Met een goede voorbereiding en een degelijk track record van uw beleggingsverrichtingen kunt u zich echter wapenen tegen onaangename verrassingen. Blijf intussen ook alert voor wijzigingen: het risico bestaat dat een toekomstig kabinet de tarieven of vrijstellingsdrempels bijstelt. Niettemin geeft de overheid vooralsnog aan dat 10% het streefpercentage is waarmee men de komende jaren wil werken.
Voor de belegger die deze ontwikkelingen van nabij volgt, is dit de belangrijkste conclusie: beleggen blijft ondanks deze maatregel rendabel, zeker wanneer men kijkt naar de historisch hogere rendementen op de beurs in vergelijking met spaarrekeningen. Tegelijk is een goede strategie en administratie onmisbaar geworden. Het is dus afwachten tot de wet definitief is, maar het staat vast dat de Belgische beleggingswereld nooit meer dezelfde zal zijn zodra de solidariteitsbijdrage in werking treedt.